‘Mijn vader heeft dit huis gekocht,’ zei hij met een Kinderen voor Kinderen-r. Al bij de deur was duidelijk dat het niet klikte tussen mij en de jongen met het halflange blonde haar dat hij elke vijf seconden voor zijn ogen wegschoof.

Toen ik ging studeren trok mijn vader niet zijn portemonnee om een pand te kopen. Ik was net zoals mijn vrienden gedoemd tot de helse zoektocht naar een kamer – vaak de bijverdienste van een crimineel.

De vaagste exemplaren kwamen voorbij:

Een kamer in het midden van een huis die je alleen kon bereiken via een andere kamer, een kelderkamer met een streepje raam alsof je levend begraven werd, een kamer op vier hoog achter grenzend aan een steegje met 99,9% overlijdensgarantie bij brand, enzovoort.

Waar schaarste heerst, bloeit misdaad. Zoek je een kamer in Amsterdam, dan beland je vanzelf in de vastgoedonderwereld. Louche huisbazen infiltreren de markt van wanhopige studenten. Fascinerend vond ik het onofficiële beroep van bemiddelaar.

Zo reageerde Paul eens op mijn oproep. Op de hoek van die en die straat zou hij dan en dan wachten, mailde hij. Een magere jongen in een leren jasje met achterovergeslagen zwart haar. Nee, hij was niet de eigenaar noch een vriend maar bemiddelaar.

Een andere keer op een kijkavond met twintig anderen sprak Zlatan, bemiddelaar voor een vrouw die geen woord Nederlands sprak. ‘Bezoek houdt ze niet van. Douchen niet te vaak. Problemen? Dan spring ik in.’ Wat me vooral letterlijk leek.

Nooit meer iets van gehoord.

Een vriendin woonde met twee anderen in onderhuur in het huis van een Egyptenaar die ze nooit zagen. Hij had eens zo lang de energierekening niet had betaald, dat ze avondenlang met kaarsen en dekens moesten doorbrengen.

Een andere vriendin huurde van een huisbaas die alles in het huis stopte waar geld uit te persen viel. Hierdoor ontstond het ‘Afrikagedeelte’, een gedeelte waar alleen jonge Afrikaanse mannen woonden. Althans, zo leek het, want een van de heren bleek opeens 53 in plaats van 25, toen hij zijn fitnesskaart een keer liet slingeren.

Een andere Afrikagedeelte-bewoner stapte altijd binnen zonder kloppen. ‘That one I want‘, zei hij dan wijzend naar een blikje of zak chips. Minder grappig werd het toen een van hen ’s nachts bij een studente in bed kroop terwijl ze sliep – het bleef onduidelijk wie het was geweest.

Klagen bij de huisbaas ging moeilijk want hij zat regelmatig vast, zoals hij nu ook weer voor onbekende tijd achter de tralies zat.

In een gouden Mercedes kwam hij aanrijden. Kobus had mijn noodkreet op Kamernet gezien. ‘Jahaa,’ zei Kobus terwijl hij me rondleidde, ‘er is internet.’ Ook zou er binnenkort gerenoveerd worden.

Op de dag van verhuizing bleek dat er geen internet was. ‘Dat zegt hij tegen iedereen,’ zei Jiska, door Kobus altijd Jessica genoemd. Ook wist niemand iets van een renovatie. Sterker, een vorige huisgenoot was bijna overleden doordat de elektriciteitsdraden onder zijn bed waren gesmolten.

Ik besloot niet te klagen. Dat had een andere studente al eens gedaan na twee weken het toilet doorspoelen met emmers water. Hierop had Kobus naar de huistelefoon gebeld en doorgegeven: ‘Zeg maar tegen dat k*twijf dat ik d’r anders van de trap kom kukelen!’

Ik was allang blij met een dak boven mijn hoofd en om de hoek zat gelukkig een coffeeshop met internet.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *